De Thomas test is een spierlengtetest die meet of je heupbuigers (hip flexors) verkort zijn. Fysiotherapeuten gebruiken hem bij klachten aan de heup, lage rug of knie, maar de test is ook bruikbaar om je eigen flexibiliteit te checken. In dit artikel lees je welke spieren de Thomas test beoordeelt, hoe je hem stap voor stap uitvoert en wat het verschil is met de modified Thomas test.
Wat is de Thomas test?
De Thomas test is een orthopedische spierlengtetest voor de heupbuigers (hip flexors). De test is vernoemd naar de Welsh orthopedisch chirurg Hugh Owen Thomas (1834-1891), die hem ontwikkelde om heupflexiecontractuur en het psoas-syndroom te beoordelen. Bij een heupflexiecontractuur is de heup niet volledig te strekken, doordat de heupbuigers verkort zijn.
De test werkt via een slim principe: door het niet-testende been naar de borst te trekken, vlakt de lumbale lordose af. Zo voorkom je dat de rug de verkorting compenseert. Alleen de werkelijke spierlengtebeperking in de heupbuigers wordt zichtbaar.
Welke spieren beoordeelt de Thomas test?
De Thomas test beoordeelt drie spiergroepen die het heupgewricht kruisen. Elke spier geeft een eigen signaal bij verkorting.
Iliopsoas (psoas major en iliacus)
De iliopsoas is de krachtigste heupbuiger van het lichaam. De psoas major loopt van de lumbale wervelkolom (L1-L5) en de iliacus vanuit de fossa iliaca samen naar de trochanter minor van het femur. Dit is een eengeledigsgewrichtsspier: hij kruist alleen het heupgewricht. Bij verkorting hangt het testbeen hoger dan de tafel en is de heup niet volledig te strekken.
Rectus femoris
De rectus femoris is een tweegeledigsspier: hij kruist zowel het heup- als het kniegewricht. Hij ontspringt aan de spina iliaca anterior inferior (AIIS) en loopt via de patella naar de tibiatop. Als de rectus femoris verkort is, compenseert de knie: de knie kan tijdens de Thomas test niet volledig tot 90 graden buigen. Dit is het onderscheidende teken voor rectus femorisproblematiek.
Tensor fascia lata (TFL)
De tensor fascia lata ontspringt aan de spina iliaca anterior superior (ASIS) en loopt via het iliotibiale band naar de tibia. Bij verkorting van de TFL treedt het J-teken op: het testbeen beweegt zichtbaar in abductie (naar buiten) in plaats van neutraal naar de tafel te hangen. Dit abductiepatroon onderscheidt TFL-verkorting van iliopsoas-verkorting.
Wanneer gebruik je de Thomas test?
De Thomas test gebruik je bij patiënten waarbij je een verkorting van de heupbuigers vermoedt als bijdragende factor aan de klachten. Dit is het geval bij:
- Lage rugpijn: verkorte heupbuigers versterken de anterieure bekkenkanteling, wat de lendenwervelkolom overbelast. Lees meer over behandeling in ons artikel over fysiotherapie bij rugpijn.
- Heupklachten: verkorting van de iliopsoas kan bijdragen aan femoroacetabulaire impingement (FAI) of andere anterieure heupklachten. De Erasmus MC geeft uitgebreide informatie over heup- en liesblessures.
- Patellofemoraal pijnsyndroom: verkorting van de rectus femoris verhoogt de kniebelasting. Zie ook ons artikel over jumpers knee oefeningen.
- Gangbeeldanalyse: een beperkte heupextensie in de loopfase is soms het eerste zichtbare teken van een verkorte iliopsoas.
- Screening bij sporters: hardlopers, fietsers en turnsters hebben een verhoogd risico op verkorte heupbuigers door herhaalde heupflexie.
Zo voer je de Thomas test uit
Uitgangshouding
De patiënt staat aan het einde van de behandelbank. De fysiotherapeut helpt de patiënt om achterover te gaan liggen terwijl beide knieën naar de borst worden getrokken. Het zitvlak bevindt zich precies op de rand van de bank.
Uitvoering stap voor stap
- Stap 1: laat de patiënt beide knieën naar de borst trekken. Controleer of de lumbale wervelkolom vlak tegen de bank ligt.
- Stap 2: het niet-testende been blijft gefixeerd tegen de borst. Dit been vlakt de lendenlordose af en fixeert het bekken in neutrale stand.
- Stap 3: het testbeen laat de patiënt langzaam zakken richting de bank, zo ver als mogelijk zonder dat de rug loskomt.
- Stap 4: observeer de positie van het bovenbeen ten opzichte van de bank, de kniehoek en eventuele abductie van het been.
Aandachtspunt: bekkencontrole
De meest gemaakte fout bij de Thomas test is onvoldoende bekkencontrole. Als het bekken in een anterieure kanteling schiet, recht de lendenkromming zich op en lijkt de heupbuiger langer dan hij is. Dit geeft een vals-negatieve uitkomst: je mist een echte verkorting. Zorg dus altijd dat de lumbale wervelkolom contact houdt met de bank voordat je het been laat zakken.
Bij de modified Thomas test lost de fysiotherapeut dit op door actief druk te geven op de ASIS (spina iliaca anterior superior) om het bekken te stabiliseren. Dat maakt de meting betrouwbaarder.
Hoe interpreteer je de uitkomst?
Negatieve Thomas test
De Thomas test is negatief: de heupbuigers zijn niet verkort. Het testbeen hangt neutraal, met het bovenbeen parallel aan of iets onder de tafel. De knie buigt circa 90 graden. De lumbale wervelkolom blijft in contact met de bank.
Positieve Thomas test
De Thomas test is positief: er is verkorting van de heupbuigers. Het bovenbeen hangt zichtbaar hoger dan de tafel (heupflexiehoek groter dan 15 graden), of de knie kan niet meer dan 80 graden buigen. De lumbale wervelkolom kan niet plat blijven zonder het been op te tillen.
Vuistregel: het been hangt niet parallel aan de tafel maar daarboven? Dan is de iliopsoas verkort. De knie buigt onvoldoende? Dan speelt de rectus femoris mee.
Het J-teken: TFL-verkorting herkennen
Als het testbeen tijdens de test zichtbaar naar buiten beweegt (abductie), is er mogelijk verkorting van de tensor fascia lata. Dit patroon heet het J-teken, naar de boogvorm die het been maakt. Bij het J-teken is het iliotibiale band mee verkort. Dit heeft gevolgen voor de kniebelasting en kan een bijdragende factor zijn bij knieklachten aan de buitenzijde.
Thomas test versus modified Thomas test
De modified Thomas test is een aangepaste versie met een andere startpositie en meer expliciete bekkencontrole. In de klinische praktijk wordt de modified Thomas test vaker gebruikt, omdat hij betrouwbaardere metingen geeft voor zowel de iliopsoas als de rectus femoris.
| Kenmerk | Thomas test (origineel) | Modified Thomas test |
| Startpositie | Patiënt trekt beide knieën naar borst aan het einde van de bank | Patiënt zit op de rand van de bank, laat zich achterover zakken met knie gefixeerd |
| Bekkencontrole | Patiënt vlakt zelf de lendenwervelkolom | Fysiotherapeut stabiliseert actief via druk op de ASIS |
| Wat je meet | Heupflexiehoek en positie van het been t.o.v. de tafel | Heupextensie en knieflexiehoek afzonderlijk meetbaar |
| Spiergroepen | Iliopsoas (primair) | Iliopsoas, rectus femoris en TFL afzonderlijk beoordeelbaar |
| Betrouwbaarheid | Matig bij visuele beoordeling | Hoog voor iliopsoas en rectus femoris, matig voor TFL |
Het grootste voordeel van de modified Thomas test is dat de fysiotherapeut de hoek van het bovenbeen en de knieflexiehoek afzonderlijk kan meten met een goniometer. Zo is het onderscheid tussen iliopsoas- en rectus femorisproblematiek nauwkeuriger te maken. De betrouwbaarheid voor iliopsoas en rectus femoris is hoog bij goniometermeting, die voor de TFL is matig.
Hoe betrouwbaar is de Thomas test?
De betrouwbaarheid van de Thomas test hangt sterk af van hoe nauwkeurig de test wordt uitgevoerd, met name de bekkencontrole. Bij visuele beoordeling (positief/negatief) is de betrouwbaarheid matig tot goed. Bij goniometermeting en strikte protocollen is de betrouwbaarheid voor de iliopsoas en rectus femoris aanzienlijk beter. De betrouwbaarheid voor de TFL blijft wisselvallig, ongeacht de meetmethode.
Gebruik de Thomas test altijd als onderdeel van een bredere functionele analyse. De uitkomst is het meest waardevol in combinatie met het klachtenverhaal, een gangbeeldanalyse en andere klinische bevindingen. Overweeg bij strakke heupbuigers ook de heupen losmaken oefeningen als startpunt voor de behandeling, of werk via core stability aan de lumbopelvische stabiliteit.
De Thomas test is een toegankelijke maar veelzeggende test: met de juiste uitvoering geeft hij snel inzicht in de flexibiliteit van drie belangrijke spiergroepen. Of je hem nu uitvoert als fysiotherapeut of zelf thuis probeert: let altijd op de stand van je lage rug. Dat is het verschil tussen een betrouwbare uitkomst en een gemiste bevinding.
Veelgestelde vragen over de Thomas test
De Thomas test meet de lengte van de heupbuigers, met name de iliopsoas, de rectus femoris en de tensor fascia lata. Door het niet-testende been naar de borst te trekken, vlakt de lumbale lordose af. Zo wordt zichtbaar of het testbeen volledig kan strekken of dat een van de heupbuigers te kort is om dat toe te laten.
De Thomas test is positief als het testbeen niet parallel aan of onder de tafel hangt, maar duidelijk omhoog staat. Dit duidt op verkorting van de iliopsoas. Als de knie bovendien niet verder dan 80 graden kan buigen, is er ook verkorting van de rectus femoris. Een abductiebeweging van het been (het J-teken) wijst op een verkorte tensor fascia lata.
Bij de originele Thomas test trekt de patiënt zelf beide knieën naar de borst en laat daarna het testbeen zakken. Bij de modified Thomas test zit de patiënt op de rand van de bank en laat zich achterover zakken terwijl de knie gefixeerd blijft. De fysiotherapeut stabiliseert het bekken actief. De modified versie maakt een nauwkeurigere goniometermeting mogelijk en beoordeelt de drie spiergroepen afzonderlijker.
Je kunt de Thomas test zelf thuis proberen op een stevige, vlakke ondergrond zoals een bed of yogamat. Let erop dat je lage rug plat blijft liggen voordat je het testbeen loslaat. Een been dat duidelijk omhoog staat en niet naar beneden wil, kan wijzen op strakke heupbuigers. Voor een betrouwbare beoordeling is de hulp van een fysiotherapeut aan te raden, omdat bekkencontrole van buitenaf lastig zelf te monitoren is.
Strakke heupbuigers ontstaan door herhaalde of langdurige heupflexie zonder voldoende strekking. Langdurig zitten is de meest voorkomende oorzaak: de iliopsoas blijft dan continu in verkorte positie. Ook intensief sporten met veel heupflexie (hardlopen, fietsen, turnen) kan leiden tot verkorting. Strakke heupbuigers zijn op zichzelf niet altijd problematisch, maar bij klachten zoals lage rugpijn of heuppijn is het de moeite waard om ze te beoordelen en zo nodig te behandelen.
Fysiotherapieblog.nl is geen medisch specialist en niet gelinkt aan een erkende fysiotherapeut. De informatie op deze website is gebaseerd op eigen ervaringen. Heb je vragen? Overleg dan met je eigen fysiotherapeut of huisarts. Aan de informatie op de website kunnen geen rechten worden ontleend.